Sinds vrijdag 17 april 2009 neem ik deel aan de Honours Class Bio Art van de Life Sciences Faculteit in Leiden. Deze cursus loopt tot in juni. Bio Art begeeft zich op de grens van natuurwetenschappen, kunst en filosofie en is een betrekkelijk nieuw fenomeen. De Honours Class wordt gegeven door de Australische kunstenares Boo Chapple. De verrichtingen kun je volgen op de Conquering Life weblog.
“Architekten, Bildhauer, Maler, wir alle müssen zum Handwerk zurück! Denn es gibt keine ‘Kunst von Beruf’. Es gibt keinen Wesenunterschied zwischen dem Künstler und dem Handwerker. Der künstler ist eine Steigerung des Handwerkers. Gnade des Himmels läßt in seltenen Lichtmomenten, die jenseits seines Wollens stehen, unbewußt kunst aus dem werk seiner hand erblühen, die Grundlage des Werkmäßigen aber ist unerläßlich für jeden Künstler. Dort ist der Urquell des schöpferischen Gestaltens.”
De vraag is nu of de nieuwe nadruk op het handwerk een afwijzing betekent van eerdere ideeën van Gropius. Een belangrijk breekpunt is de eerste wereldoorlog waarin naar de mening van veel Duitse kunstenaars de moderne massa-industrie voor het eerst haar donkere kant heeft laten zien. De optimistische ideeën over de machine en industriële productie, die ook door Gropius werden aangehangen komen ter discussie te staan. Gropius zag de hoop in de toekomst van de kunst, in een terugkeer naar geschoold handwerk.[1]Tegelijkertijd erkent Gropius dat industrie in de toekomst onvervangbaar is, ook al zou de industrie volgens hem wel moeten veranderen. Gropius maakt vooral een onderscheid tussen de grote, sterk gemechaniseerde industrieën en de kleinere door ambachtslieden geleide industrieën. Deze industriële arbeid kan wel voor ‘handwerk’ doorgaan.[2] In het Duits heeft het begrip ‘Handwerk’ namelijk een bredere connotatie, die ook het werk van de geschoolde fabrieksarbeider omvat.
“Die alten Kunstschulen vermochten diese Einheit nicht zu erzeugen, wie sollen sie auch, da Kunst nicht lehrbar ist. Sie müssen wieder in der Werkstatt aufgehen. Diese nur zeichnende und malende Welt der Musterzeichner und Kunstgewerbler muß endlich wieder eine bauende werden. Wenn der junge Mensch, der Liebe zur bildnerischen Tätigkeit in sich verspürt, wieder wie einst seine Bahn damit beginnt, eind Handwerk zu erlernen , so bleibt der unproduktive ‘Künstler’ künftig nicht mehr zu unvollkommener Kunstübung verdammt, denn seine Fertigkeit bleibt nun dem Handwerk erhalten, wo er Vortreffliches zur leisten vermag.”
Een kunstenaar is een ambachtsman die zichzelf overstijgt en dat overstijgen is niet te onderwijzen maar het ambacht en het handwerk wel. Gropius vindt het belangrijk dat architecten, schilders en beeldhouwers het vak leren. De kunstenaar kan niet zonder de basis van het handwerk. Het verwijt aan de bestaande kunstscholen is dat deze pretenderen kunstenaars te willen opleiden, maar dat is in de visie van Gropius helemaal niet mogelijk. Er zullen uiteraard mensen zijn die zichzelf overtreffen maar de academies leveren zonder de basis van het handwerk vooral middelmatige studenten af. Studenten die wel het handwerk hebben geleerd, kunnen zich ten minste nuttig maken en zelfs excelleren. De kunsten moeten weer opgaan in de ‘werkstatt’, binnen een systeem, gelijkend op het gildesysteem, dat geen onderscheid maakt tussen kunstenaars en handwerklieden.
Inleiding door Walter Gropius “Das Endziel aller bildnerischen Tätigkeit ist der Bau! Ihn zu schmücken war einst die vornehmste Aufgabe der bildenden Künste, sie waren unablösliche Bestandteile der großen Baukunst. Heute stehen sie in selbstgenügsamer Eigenheit, aus der sie erst wieder erlöst werden können durch bewußtes Mit- und Ineinanderwirken aller Werkleute untereinander. Architekten, Maler und Bildhauer müssen die vielgliedrige Gestalt des Baues in seiner Gesamtheit und in seinen Teilen wieder kennen und begreifen lernen, dann werden sich von selbst inhre Werke wieder mit architektonischem Geiste füllen, den sie in der Salonkunst verloren”.
De voornaamste opgave van de kunsten was ooit het versieren van bouwwerken. De beeldende kunsten waren onlosmakelijk verbonden met grootse architectuur. Gropius verwijst naar een periode in het verleden zonder deze bij naam te noemen maar waarschijnlijk duidt hij op de middeleeuwen. Hij positioneert deze periode tegen over zijn eigen tijd. De beeldende kunsten zijn in de eigen tijd zonder samenhang en zijn zelfingenomen. Door een samenwerking van handwerklieden kan deze toestand weer doorbroken worden. Kunstenaars moeten het bouwwerk weer in zijn totaliteit leren zien en in staat zijn de losse elementen in harmonie met die eenheid te brengen.
Gropius spreekt van een architectonische geest die de kunsten in de salonkunst heeft verloren. Hij is eigenlijk op zoek naar een manier om die geest te heroveren en sluit hiermee aan op een breder gevoelde noodzaak de scheiding tussen de schone en de toegepaste kunsten te slechten.
Die geest van de gemeenschapskunst vond ooit haar uitdrukking in de kathedraal. Behalve Gropius ziet ook de criticus Adolf Behne in de kathedraal het voorbeeld van een gemeenschapskunstwerk. Adolf Behne behoort met Gropius tot de belangrijkste critici van vlak na WO I, en beiden zijn lid van de Arbeidsrat für Kunst Volgens Behne is de Indische tempel zelfs een beter voorbeeld. Daarin is de ‘heerlijkheid’ en het ‘grootse’ van de mensheid tot uitbeelding gekomen in een ‘wondervorm’ Ook volgens Behne is de aansluiting van de kunst met het volk door de salonkunst verloren gegaan. In die wiederkehr der kunst ziet hij in de nieuwe kunst niet een kunst, die de positie van de impressionistische salonkunst wil overnemen, maar die positie juist wil ondergraven en aansluiting wil zoeken bij het volk.Want het is de taak van de nieuwe kunst het volk vertrouwen te geven in zijn eigen scheppingskracht. Waar het uiteindelijk om gaat is het volk weer productief te maken. Deze stelling sluit aan op de opvatting van Behne dat bouwen de basiskunst is en dat de bouwkunst uiteindelijk ook alle andere kunsten omvat. Het is een misvatting te denken dat bouwkunst puur een utiliteitskunst zou zijn. De bouwkunst is een vrije kunst die volgens Behne de gemeenschappelijke arbeid is van mensen, uit liefde voor de wereld. Bouwen is de elementaire kunst en daarmee sluiten de ideeën van Behne aan op de openingszin uit het Bauhaus manifest van Gropius.